{
terug terug verder verder
Kerkgemeente Amsterdam St. Gabriëlkerk Deurloostraat 17, 1078 HR Amsterdam

Diversen

verder verder

 

Hymne aan de materie (Teilhard de Chardin)

Pierre Teilhard de Chardin (1881-1955), jezuïet, theoloog, paleontoloog en schrijver uit de bundel 'Hymne de l'univers', vertaling uit het Frans door Henk Hogeboom van Buggenum.

 

De strekking van Teilhard de Chardins 'Hymne de l'univers' is:

De weerstand die de stoffelijke wereld biedt aan de menselijke geest en die moet worden overwonnen, is de leerschool die de mens tot het bewustzijn van zichzelf laat komen en daardoor tot hereniging met God.

 

Hymne aan de materie

"Een zegen ben je, ruwe natuur, onvruchtbare bodem, weerbarstige rots: jij, die slechts dorst naar geweld, jij, die ons dwingt te werken, als wíj willen eten."

 

"Een zegen ben je, o stof vol gevaren, zee vol geweld, o tomeloze hartstocht: jij, die ons verslindt als wíj je niet temmen."

 

"Een zegen ben je, o machtige materie, o evolutie, in je loop onomkeerbaar en steeds nieuw waar iets maar ontstaat:

jij, die onze geest bij voortduring noopt tot herzien van de schema's, die ons dwingt almaar verder en verder te gaan op onze jacht naar wat waar moge zijn."

 

"Een zegen ben je, o universele stof, onmeetbare tijd, grenzeloze hemel, onpeilbaar in je drievoudige diepte van sterren, atomen en leven na leven: “jij, die steeds weer te groot bent voor onze enge normen en maten, ze nietig laat zijn en ons zó openbaart de dimensies van God."

 

"Een zegen ben je, ondoordringbare stof: jij, die de schakel vormt tussen onze geesten en de wereld van essenties, het verlangen in ons wekt de dichte sluier van de verschijnselen eens te doorbreken."

 

"Een zegen ben je, sterfelijke stof: jij, die het proces van uiteenval eens in ons zult ervaren en ons daarmee noopt je te volgen naar het hart van al wat bestaat in zijn diepste essentie."

 

"Zonder jou, zonder jouw hevige prikkels, zonder de kracht waarmee je ons opdrijft, zouden wij in ons leven nergens toe komen, stilstaan, kinderlijk onwetend steeds blijven zowel over onszelf als over God."

 

"Jij, die ons neerslaat en dan de wonden verbindt, Jij, die ons weerstand biedt én voor ons zwicht,

Jij, die afbreekt én opbouwt, jij die ketent én vrijmaakt, het elan van onze zielen, de hand van God, het vlees van Christus: jij bent het, materie, die ik mijn zegen geef."

 

"Ik zegen je, materie, en jouw bestaan juich ik toe niet als de hogepriesters van de wetenschap of als de moralisten zie ik jou onteerd, vervormd een massa redeloze krachten en lage begeerten maar zoals je jezelf vandaag aan mij openbaart, in je totaliteit en je ware natuur."

 

"Jouw bestaan juich ik toe als de onuitputtelijke bron van zijn en van wording waarin alles ontkiemt en groeit zoals het bedoeld is."

 

"Jouw bestaan juich ik toe als de universele kracht die samenbrengt en verenigt, de veelheid van monaden verbindt, waarin allen zich buigen naar jou, hun gezamenlijk doel, langs de weg van de Geest."

 

"Jouw bestaan juich ik toe als de welluidende klank van het water, waaruit de zielen opspringen als in een fontein, en als het heldere kristal waaruit het nieuwe Jeruzalem wordt gevormd."

 

"Jouw bestaan juich ik toe als het Goddelijk Milieu, bruisend van scheppende krachten, de oceaan die drijft op de Geest, de klei die gekneed en bezield is met leven door het vleesgeworden Woord.”

 

 

 

Onderstaand artikel is een bewerking van een artikel dat door Mgr. Robert King is geschreven in de vijftiger jaren en gepubliceerd werd in The Liberal Catholic; een vertaling hiervan verscheen in De Vrij-Katholiek; 35e jaargang; nov-dec 1961 (nr. 11-12; bladz. 113-117).

De vorige keer, in deel II, is onze aandacht gericht op het nieuwe Licht. Deze keer wordt de aandacht gevestigd op de aartsengel Gabriël als boodschapper en de maagdelijke geboorte.

 

 

De Christelijke Mysteriën (deel III)

De meesten van u zullen weten, dat de overlevering van de geboorte uit een maagd van een Verlosser, een oude en zeer verbreide overlevering is.

 

Wij vinden deze in India, in Egypte en in Griekenland, maar er is verschil met ons Christelijk geloof, een zeer belangrijk verschil. Dit wordt gevonden in het verhaal van het overschaduwen van de Maagd Maria door de engel Gabriël, beter bekend als de ‘Annunciatie’. Het verhaal hierover is in Lucas I te vinden en in geen andere godsdienst vinden wij iets dat daarmee vergeleken kan worden. Het komt alleen in 't evangelie van Lucas voor, een feit niet zonder belang, als wij een ogenblik terugzien naar de symbolen van de vier evangelisten.

 

In de oudere geloven wordt altijd door direct contact van het mannelijk beginsel met de maagd de geboorte tot stand gebracht, maar de geboorte van Christus hangt af van de bemiddelende rol van de aartsengel Gabriël. Occult gesproken is dit van zeer groot belang. Volgens Joodse overlevering was Gabriël de engel van de maan en de maan heeft, zoals u wellicht weet te maken met de persoonlijkheid, dat wil zeggen met u en mij.

 

 

Afbeelding:

Uit: Gustave Doré's illustrations for La Grande Bible de Tours

 

 

Het woord "persona" of masker komt van het Latijnse "persona", het masker, dat de toneelspelers in oude tijden voor hun gelaat droegen, om de karakters uit te beelden, die zij moesten voorstellen. Daarom, wanneer ik spreek over mijn persoonlijkheid, de persoonlijkheid van Robert King, gebruik ik het woord in zijn innerlijke betekenis en bedoel ik het masker of uiterlijk omhulsel, als het ware, van mijn ware zelf. De persoonlijkheid is van groot belang voor de persoonlijkheid! Wij draaien zoveel om onszelf. Wat ons overkomt en wat wij doen is van zulk een groot belang voor ons en hoe minder ontwikkeld wij zijn des te meer vereenzelvigen wij ons zelf, met het gedachte- en gevoelslichaam. Alleen als wij vooruit beginnen te gaan in evolutie, begint het tempo en de hevigheid van onze dans om onszelf heen een weinig te verslappen.

 

De maan dan symboliseert de persoonlijkheid en Gabriël is de engel van de maan. Van uit een hogere sfeer brengt hij met zich naar beneden een straal, die door hem heendringend, verbonden is met de persoonlijkheid; daarom heeft het op een speciale manier iets te maken met u en met mij.

Maar alleen uit een maagd kan deze geboorte plaats vinden, uit de maagd Maria en Maria komt van het Latijnse woord "mare", de zee. Zo krijgen wij de maagdelijke zee en in het Rooms Katholicisme wordt Maria soms genoemd Stella Maris, Sterre der Zee. Wat betekent de zee?

 

Vergeet niet, dat wij trachten de occulte betekenis van dit alles te begrijpen. De zee heeft in alle symboliek, de grote emotionele-astrale natuur vertegenwoordigd dat gebied, dat zich bevindt tussen het fysieke en het mentale gebied. Daarom kunt u zich voorstellen, dat iets, dat door de zee komt - het gevoelsgebied - dat wij zouden kunnen noemen, het onderbewuste - zeer sterk gekleurd zal zijn, door dit onderbewuste.

 

Het is van groot belang, hoe de toestand van de zee is, want u kunt wel begrijpen, dat hoe zuiverder de hoedanigheid van het water is, des te zuiverder zal de hoedanigheid zijn van datgene wat er doorheen gaat.

Daarom moet er een maagdelijke geboorte zijn, want het ware licht, kan alleen doorkomen door een maagdelijke zee, d.w.z. door een natuur van serene rust: een natuur waaraan de stormen van de op zichzelf ingestelde emoties onbekend zijn. Wanneer die machtige straal van de Christus, neerdalend door de engel Gabriël een persoonlijke straal Een persoonlijkheid, die een maagdelijke zee geworden is, binnendringt dan is de Christus geboren. Dit is, wat de Christelijke godsdienst onderscheidt, van alle andere en er een stempel van een persoonlijke godsdienst aan geeft. Voor het Christendom moest de engel Gabriël er zijn: hij was onverbrekelijk deel van het grote plan.

 

 

 

Een tweede stroom was die van het Neo-platonisme met als bekendste filosoof Plotinus. Maar in de late oudheid in de West-Romeinse cultuur en daarna in de middeleeuwen was het denken van Aristoteles alles overheersend. Tegen dat denken in, en ter verdediging van het denken van Plato, schreef in de 2e/3e eeuw Hermes Trismegistus zijn Corpus Hermeticum. Dat werk werd in onze cultuur pas bekend door een Latijnse vertaling uit 1471. Maar toen het in de renaissance opnieuw werd uitgebracht, werd het zeer invloedrijk. De modernste vertaling met toelichting is die van R. van den Broek en G. Quispel uit 1991 (Amsterdam, In de Pelikaan).

Beide stromingen (joodse kabbala en Neo-platonisme) voerden in de 16e en 17e eeuw tot het alchimistisch denken. En in de 17e eeuw tot de Rozenkruisers. In de 18e eeuw was de vrijmetselarij feitelijk een voortzetting, ook in de symboliek, van met name het alchemisme.

De woorden van Johannes zeggen dat alles bestaat uit vier elementen, maar dat er een vijfde element is, de quintessens, die alles levend houdt. Hij noemt de quintessens de Logos. Of ook (16:13) het Pneuma der Waarheid en zo (20:22): “blies hij over hen en sprak: ontvangt de Heilige Geest.”

Deze quintessens was voor de Egyptenaren Thouth of Thoth (Wijsheid). Voor de Alexandrijnse jood Philo (begin jaartelling) heet het de goddelijke logos of rede, of denkend pneuma bekleed met de vier elementen, of nous (bewustzijn). Hij spreekt over “warme en vurige logos”, “etherisch pneuma”. In de latere gnosis werd de quintessens verpersoonlijkt in Hermes of Mercurius, die bij de joden Koochaab of de Ster heette. De Ster der Wijsheid die in de vrijmetselarij het Eerste Grote Licht zou worden.

Als laatste hulpmiddel bij onze gedachtevorming nog één gedachte. Sinds de oudheid is het ook de gedachte dat in de quintessens het Goddelijke samenkomt met het geschapene. Het is een draaipunt, een punt waar wezenlijke verandering plaatsvindt van Geest in Materie. Van de Steen der Wijzen, oftewel van het Goud dat levend maakt, in het kostbaarste uit de Materie dat we kennen; het aardse goud. En dat keerpunt staat ook geschreven in het pentagram der materie.

Als je naar buiten kijk, zie je dat de bladeren sterven en van de bomen waaien. Maar je vertrouwt er op dat de Schepper, die alles in Zijn Handen houdt, ook een nieuwe lente zal geven. Hij schept voortdurend dit heelal. In bovenstaande is geschetst hoe mensen zich dat sedert de oudheid voor proberen te stellen. Het is de Logos, of volgens de kabbala Keter, die in alles wat bestaat leeft. Die als Materia Prima ook kwikzilver en zwavel heet. Daarin komen lichaam, ziel en geest samen.

Zo komen in het ongeschapene van de Grote Mens of Saturnus, het geschapene van ieder Kleine Mens (Hermes) tezamen. En het Boek des Levens volgens welk ontwerp de Grote Mens ons schept, is de geopende bijbel. Het Boek des Levens openen vrijmetselaars op de wezenlijke samenvatting van alles: Joh.1: 1-5, de beschrijving van de quintessens. “Alles is door Hem ontstaan en zonder Hem is niets ontstaan. In wat bestond was Hij het leven.”

Bron: http://cursusesoterie.com/2012/10/25/het-vijfde-element

 

Wijsheid

Een dorpsbewoner klaagde bij de Kobriner rabbi dat zijn kwade driften hem altijd de baas waren en hem tot het begaan van misstappen brachten.
“Rijd je paard?” vroeg de rabbi. “Ja” antwoordde de dorpsbewoner.
“Wat doe je als je er af valt?”. “Dan klim ik er weer op” zei de man.
“Stel je nu voor dat de Boze Neiging het paard is” merkte de rabbi op. “Als je valt, klauter je weer naar boven en tenslotte zul je het overmeesteren”.

 

 

ZELFKENNIS

Je hart kent de geheimen van de dagen en de nachten.
Maar je oren dorsten naar klank van de kennis van je hart.
Je zou in woorden willen kennen wat je altijd in je gedachten hebt gekend.
Je zou met je vingers het naakte lichaam van je dromen willen betasten.

En zo is het goed.
De verborgen bron van je ziel moet opzwellen en
murmelend naar de zee stromen;
en de schat uit je oneindige diepten zal aan
je ogen geopenbaard worden.
Maar laat er geen weegschaal zijn om je onberekenbare schat te wegen;
en peil niet de diepten van je kennis met staf of dieplood.
Want het zelf is een grenzeloze en onmetelijke zee.

uit: de profeet Kahlil Gibran

En ze kwamen weer samen, groetten elkaar en zeiden: “Amen”.
Toen verscheen Jezus hun en zei hun: “Vrede zij met jullie allen en al wie
gelooft in mijn naam. Wanneer jullie uitgaan, dan zal vreugde in jullie zijn
en genade en kracht. Wees niet bevreesd, zie, ik ben eeuwig met jullie.”

Toen gingen de apostelen uiteen naar de vier woorden in de vier windrichtingen om te prediken. En ze gingen aangevoerd door een kracht van Jezus, in vrede.

Uit de Alternatieve Epistel– en Evangelielezingen [Pinksteren] Brief van Petrus aan Filippus (Codex VIII, Boek 2).

 

Datum, naam en oorsprong van Pinksteren

Pinksteren wortelt in het joodse Wekenfeest (Sjavoeot).
Oorspronkelijk was het een dankfeest voor de binnengehaalde oogst. In de 2de eeuw n. Chr. kwam de nadruk te liggen op het herdenken van het verbond tussen God en Israël, de gebeurtenis bij de Sinaï, toen God aan Mozes de wet gaf. De christenen namen deze feestdag over om de nederdaling van de Heilige Geest over de apostelen te gedenken. De christenen zagen een parallel: met Pinksteren is het de Geest van Christus die de nieuwe wet geeft en die de christenen (uit joden- en heidendom) verenigt tot een nieuw volk van God.

Omdat het joodse Wekenfeest - als men de eerste en de laatste dag van een periode meetelt - de vijftigste dag was, noemde men het in het Grieks ook Pentekostè, wat 'vijftig' betekent. Het woord Pinksteren is hiervan afgeleid. De Griekse woorden haemera pentaekostae betekenen de 'vijftigste dag'. Deze aanduiding raakte in het jodendom ingeburgerd voor het Wekenfeest. Het feest werd ook door andere termen aangeduid: pneumatos parousia in het Grieks en Adventus Spiritus Sancti in het Latijn.

Afgezien van het oudtestamentische Tobit 2:1, waar Pinksteren en het Wekenfeest naast elkaar voorkomen, treft men het woord Pinksteren alleen in het Nieuwe Testament aan.
Op heel wat plaatsen werd Pinksteren tevens Sinksen genoemd. In Vlaanderen is dit woord nog altijd goed ingeburgerd. Het is afgeleid van de Latijnse vertaling van pentekostè, namelijk quinquagesima. Andere namen voor Pinksteren zijn: bloeifeest, roospasen, snijfeest, bloemenpasen of bloemenoosteren.

(gevonden op de Wereldfeesten Almanak)

 

Het is een God die spreekt….

Tot Mozes spreekt een stem die zegt: ‘Ik ben die Ik ben.’
En identificeert zich als ‘de God van Abraham, de God van Isaäc en de God van Jakob’, tot wie Hij ook gesproken heeft. Ook tot de profeten wordt gesproken.
Ons woord ‘profeet’ is afgeleid van het Griekse woord voor ‘spreker’. Profeet dus, niet in de zin van iemand die de toekomst voorspeld, maar iemand die spreekt ten behoeve van God, als spreekbuis van God.
Geen voorspellingen, maar vertellingen – die wel eventueel een voorspelling kunnen bevatten. Profeet zijn gaat in eerste instantie om het geven van een stem aan het Goddelijke. Het willen spreken uit naam van de autoriteit van het ‘totaal Andere’.

Al in de historische boeken van wat wij het Oude Testament noemen wordt een standaardformule gebruikt voor een speciale openbaring van God aan de profeet:
‘Het woord van God kwam tot …..’ Samuel bijvoorbeeld.
Of Nathan, of Gad - profeet van David, of Salomo, of Jesaja, enzovoorts.

Pas in tweede instantie komt het voor dat een profeet, bijvoorbeeld Jeremia, opdracht krijgt iets te schrijven.
En in het grote visioen van Jesaja wordt niet zijn schrijfhand, maar worden zijn lippen ter reiniging aangeraakt door het gloeiende kooltje van de seraf.

De standaardformule voor de profeet continueert in het Nieuwe Testament, maar uitsluitend voor Johannes de Doper. Voor niemand anders.
Niet voor Jezus, die als Christus het Woord ‘was’.
En niet voor de discipelen die in hun getuigenis van leven, werk en opstanding van Jezus zich erop beroepen het Woord gehoord, gezien en aangeraakt te hebben.

Deze orale traditie gaat veel verder terug dan wij, met onze huidige ervaring met zoveel geschreven informatie, op het eerste gezicht vermoeden.
Maar als kind spraken we al, voordat we leerden lezen en schrijven.
Deze volgorde van ontwikkeling geldt niet alleen voor kinderen, individuen, maar ook voor gehele volkeren. Alfabet en schrift kwamen in ontwikkeling voor een taal die al veel langer gesproken werd. Psalmen werden opgeschreven opdat latere generaties ze konden zingen.

Dat het spreken er was voordat het woord geschreven werd gaat zelfs op voor het mysterie van het Goddelijke zélf: ‘In den beginne ….. God sprak: ‘Er zij licht’’.
In het allereerste begin was er eerst het woord dat gesproken werd.

Hierover verschillen Jodendom en christendom niet van mening. En hun heilige boeken tonen geen verschil. Eerst was er een gesproken Woord van God voordat er ook maar een geschreven bijbel ontstond. ‘Ze hebben monden maar kunnen niet spreken’, meldt een psalm over de door mensenhanden gemaakte afgodsbeelden.
Dit als allergrootst contrast met een levende God die zonder mond toch spreekt.

Dit vertrouwen op een orale traditie in de oudheid kent nog een ander bekend voorbeeld.
Socrates sprak.
Alles wat wij van hem weten, elk stukje van zijn leven, woorden en wijsheid is tweedehands. Degenen die van hem leerden of hem gehoord hebben schreven erover.
Bijvoorbeeld Plato, Xenophon en Aristophanes.

Deze situatieschets geldt ook voor Jezus. Hij sprak, hij schreef niet.
Er is een vermelding in het Nieuwe Testament waar dat wel het geval is, waar Jezus ‘bukte en in het zand schreef’. Maar de authenticiteit van deze vermelding wordt zeer sterk betwijfeld door hedendaagse bijbelwetenschappers.
Jezus sprak en achtte de orale traditie van grotere betekenis dan de geschreven traditie. Bijvoorbeeld wanneer hij een rol van de profeten opleest en vervolgens opmerkt dat door het horen van de tekst, de tekst waarheid geworden is.

Maar wij, tweeduizend jaar later, hebben hiervan nu slechts geschreven woorden over.
Gefilterd door vertaling na vertaling.
En vertalen stuit op problemen, en die ontstaan al vroeg in de geschiedenis van de teksten.

Jacob Slavenbrug geeft in zijn boek ‘Valsheid in geschrifte’ een idee van de omvang van het probleem wanneer hij schrijft: ‘Bijbelwetenschappelijk onderzoek toont namelijk onomstotelijk aan dat de vele handschriften, waarop de moderne bijbelvertalingen zijn gebaseerd, onderling op tienduizenden plaatsen verschillen. En dat is ook logisch; de belangrijkste handschriften dateren uit de 4e eeuw na Christus. Drie eeuwen bewerking gingen daaraan vooraf…’
Slavenburg stelt bovendien dat de lijst canonieke geschriften, zoals ze zijn opgenomen in het Nieuwe Testament, een zeer beperkte keuze was uit honderden geschriften uit de vroegchristelijke literatuur.

En soms zijn voor ons die geschreven en vertaalde woorden op zijn minst raadselachtig. Het is toch wel een beetje raar dat Johannes de Doper zegt (hfst. 3 bij zowel Matteus als Lucas): ‘(…) en zeg niet meteen bij jezelf: Wij hebben Abraham als vader. Want ik zeg jullie: God kan uit deze stenen kinderen van Abraham verwekken!’ Kinderen uit stenen?
Wat hebben kinderen en stenen met elkaar te maken?

Teruggaan naar de orale traditie, naar de taal waarin in die tijd gesproken werd, kan toegang geven tot een vollediger betekenis, die ons door de geschreven vertaling ontgaat.
Bijvoorbeeld in het voorbeeld van de woorden van Johannes de Doper.
In het Aramees, en Hebreeuws, is het woord voor ‘zoon’ of ‘kind’: ben (meervoud: banim). Eben (meervoud: ebanim) betekent steen.
Johannes de Doper maakt hier dus een grapje.
God is in staat banim te maken uit ebanim.
Het is een woordspelletje dat door het vertalen van de teksten verdwenen is.

Paul van Rooyen

 

………..daar nu zullen ze mij vinden,
en zij zullen leven,
en niet meer sterven

Deze tekst is afkomstig uit het manuscript Donder: volmaakt Bewustzijn uit de Codex VI van de Nag Hammadi geschriften en bevat één van de meest intrigerende teksten die uit de kruik te voorschijn kwam.


In december 1945 werd in Midden-Egypte bij de plaats Nag Hammadi een opmerkelijke vondst gedaan. Aan de voet van het Jabal-al-Tarif-massief werd door een boer een kruik gevonden. In deze kruik bevonden zich dertien codices vervat in twaalf leren banden en bevatten in totaal 52 geschriften. Deze zeer oude geschriften werpen een nieuw licht op de beginfase van het christendom. Vanwege het gnostische karakter van deze teksten heeft men het wel over de gnostische evangeliën.
Alle traktaten zijn oorspronkelijk in het Grieks geschreven in de eerste twee eeuwen van onze jaartelling . Daarna zijn ze in het Koptisch vertaald en zijn ook in deze vorm in onze tijd teruggevonden. Het is mede aan prof. Gilles Quispel en Carl Gustav Jung te danken dat deze vondst in de openbaarheid werd gebracht.

Naast het bekende Thomas Evangelie en het Evangelie volgens Filippus, zijn er ook minder bekende teksten. Eén van de gevonden teksten is het manuscript Donder: volmaakt Bewustzijn.
De staat van dit gevonden manuscript is goed, er zijn wat kleine beschadigingen aan de bovenzijde van de originele pagina’s (papyrus). Het geschrift wordt opgeluisterd met de titel: Donder: volmaakt Bewustzijn. Het intrigerende begint al meteen met deze titel en kent vele parallellen met ander gnostische geschriften. De inhoud van het geschrift bestaat uit een openbaring door een vrouwelijke gestalte, vindt plaats in de ik-vorm en bevat soms uit schijnbaar tegenstellingen (antithetisch).
In de tekst is een expliciete lezer aanwezig, iemand die door de spreekster wordt aangesproken. Deze expliciete lezer in een tekst suggereert de werkelijke lezers of hoorders hoe met
het gesprokene om te gaan. Al gaat het hier om een tekst van voor onze jaartelling, de plek voor de lezer is erin uitgespaard en daar kunnen we plaatsnemen.
Plaatsnemen in die ruimte van Donder: volmaakt Bewustzijn : een meditatieve ruimte.
Dat wordt ons duidelijk gemaakt in de openingszinnen van het geschrift:

‘ik werd vanuit kracht gezonden en ik ben gekomen tot hen die zich op mij bezinnen; en ik ben gevonden onder hen die naar mij zoeken. Kijk naar mij, jullie die mij overdenken, en jullie, toehoorders, luister naar mij. Jullie die op mij wachten, neem mij tot je, en verban mij niet uit je zicht. En laat je stem mij niet haten, noch je gehoor. Wees niet onwetend van mij, nergens en nimmer. Wees op je hoede; wees niet onwetend van mij!’

Het is uiteraard niet mogelijk om de volledige tekst van dit manuscript hier op te nemen, daarom nog een voorbeeld:

‘Want ik ben kennis en onwetendheid. Ik ben schaamte en vrijmoedigheid. Ik ben schaamteloos en ben beschaamd. Ik ben kracht en ben angst. Ik ben oorlog en vrede. Let op mij. Ik ben de vernederde en voorname.’

Het wezen van Donder: volmaakt Bewustzijn is samen te vatten als de openbaring van het Bewustzijn. In de gnostische scheppingsverhalen vormt het Bewustzijn de spiegel van God, de Onverwekte. Deze spiegelende bewustzijnskant is de vrouwelijke Zijnskant van God, Sophia genoemd, de vormgevende kracht.
Daarom zijn er in haar leven en dood, licht en duisternis, kennis en onwetendheid enz.
Dit symboliseert ook het krachtenveld in de mens zelf. De indringende tekst van Donder: volmaakt Bewustzijn raakt de kern, het wezen der dingen aan. Het is een oproep van het Al-Bewustzijn tot afdaling in het eigen zelf. Om bewust te worden.

‘..Talrijk immers zijn de aantrekkelijke vormen die uit de talrijke zonden bestaan; onmatigheden, schandelijke begeerten en vluchtige pleziertjes, die door mensen worden omhelsd totdat zij nuchter worden en opgaan naar hun rustplaats…..’.

Donder: volmaakt Bewustzijn is ook een heel optimistische en troostvolle tekst. Want op die rustplaats, in dat Koninkrijk,
‘…………..…..daar nu zullen ze mij vinden, en zij zullen leven,en niet meer sterven.'

Bronnen: De Nag Hammadi Geschriften (Jacob Slavenburg en Willem Glaudemans)
Gnosis: de derde component van de Europese cultuurtraditie (red. G. Quispel)


“De heerschappij wordt op Zijn schouders gelegd en Zijn Naam wordt genoemd:
Wonderbaar Raadsman,
Goddelijke Held, Vader in de
komende Eeuwen, Vredevorst”

Jesaja 9 : 5

 

Deze tekst is afkomstig uit de Bijbel, uit het Oude Testament. Het is een tekst uit het boek Jesaja. Misschien dat u deze tekst bekend voorkomt want hij wordt ook gebruikt bij het speciale Graduale dat met Kerstmis wordt gezongen.

Het boek Jesaja ontleent zijn naam aan een profeet, Jesaja, de zoon van Amos, die in Jeruzalem leefde en als profeet optrad in de periode 750-700 v. Chr.
Het bijbelboek is in zijn huidige omvang een verzameling van profetische teksten die in de loop van ongeveer drie eeuwen zijn overgeleverd en uiteindelijk als één geheel op schrift zijn gesteld.

 

Aan de Universele Gnosis

O, Gij Broederschap van Liefde,

God's Gewijde Hart,
Gij wilt nu ontvangen,
al wat ons benart.
Met Uw Gouden Zielestralen,
vol sereniteit,
daalt Uw stil erbarmen
eeuwig in den tijd.

Heel ons wezen voor U open,
't hart gericht op U,
staan wij in de Tempel,
voor het Graallicht nu.
En de Kelk met Levend Water
stort zijn Zegen uit
over elk, die dankend'
Uwe Namen uit.

Uit het eeuwig Moederwezen
breekt het Godskind vrij,
en in Glans van Isis,
klinkt ons Lied zo blij.
Dankt Osisis'-Isis'-Liefde
Die het Al vervult,
Die als Wondermantel
lichtend ons omhult.

Jan van Rijckenborgh

Jan van Rijckenborgh (1896-1968); Hermetisch gnosticus, maar ook een moderne Rozenkruiser. Uit het boek: De Triomf van de Universele Gnosis, dat in 2004 te Amsterdam werd uitgegeven als deel van de Bibliotheca Philosophica Hermetica. (ISBN 90 71608 14X).

 

ARCHITECTUUR EN RELIGIE IN DE DEURLOOSTRAAT

Onder deze titel zal tijdens onze jubileumviering op 15 en 16 november 2008 een impressie worden gegeven over de bijzondere architectuur van ons kerkgebouw.

Het eenvoudige rechthoekige gebouw op de hoek van de Deurloostraat / Dongestraat in de Rivierenbuurt in Zuid is gebouwd in 1928 door de Hilversumse architect H.A. van Anrooy (1855 - 1964). Als naaste medewerker trad op de architect J.L.M. Lauweriks (1864 - 1932), die tevens priester was voor dit kerkgenootschap in Amsterdam.

Uiterlijk maakt het gebouw een vrij ontoegankelijke indruk. Binnen echter valt direct het warme intieme sober gehouden interieur op. Deze sfeer wordt mede veroorzaakt door de ruime toepassing van onbehandeld vurehout en de lichtval door lage kleurige rechthoekige vensters. De vrij hoge dakopbouw wordt het interieur driemaal ondersteund door een gebogen houten lamellencontructie, die de kerkruimte in lengterichting als het ware in drieën verdeelt: een zijpad, een ruim middenpad met aan weerszijden vaststaande houten blanke banken met zijpad.
Vanuit de entree wordt direct de aandacht getrokken naar het centraal geplaatste altaar en het veel kleurige vijfhoekige roosvenster daarboven in de vorm van en pentagram. Het roosvenster is ontworpen en vervaardigd door de Haarlemse glazenier W. Bogtman. Het interieur is van de ontwerper A. Kurvers. Naast het priesterkoor bevindt zich aan de oostmuur aan de evangeliezijde het boven het Mariaaltaar een gebrandschilderd glasmozaïek voorstellende Moeder-Gods van het Teken, ten voeten uit in orantehouding, terwijl aan de epistelzijde boven het altaar van de Schutspatroon zich een pedant bevindt, voorstellende de Artsengel Gabriël, eveneens ten voeten uit. Beide mozaïeken zijn van de hand van de priester-kunstenaar Pam G. Rueter (1908 - 1998).

De kerkruimte biedt plaats aan ca. 200 personen. De aan de noord- en zuidzijde kleine vrij laag geplaatste stalen ramen bevatten glas-in-lood vensters met figuraties in de zo genaamde "Nieuwe Stijl", waarschijnlijk eveneens van de hand van genoemde glaskunstenaar. Als versierend element is in de noordmuur een betonnen Latijns kruis in de constructie opgenomen, dat zowel binnen als buiten de kerk duidelijk zichtbaar is. Deze constructie is zodanig, dat het de kap doorbreekt en als het ware ruimte biedt voor een hoog oprijzend dakvenster.

Een eenvoudig elektronisch orgel met pedaal is in het schip voor de zuidmuur opgesteld, voor de begeleiding in de eredienst.

Het gehele gebouw is dringend aan onderhoud toe, alhoewel de kapconstructie een twintigtal jaren geleden is vernieuwd, waarbij het oorspronkelijke Noorse leien werden gehandhaafd. Het verhelpen van deze achterstand is de afgelopen jaren sterk vertraagd door het afkopen van het erfpachtcontract met de lokale overheid. Voor het vernieuwen daarvan, ditmaal voor 50 jaar, was een bedrag van ruim € 68.000,= (ƒ 150.000,=) nodig, dat in een relatief korte periode moest worden bijeengebracht. Het groot onderhoud is hierdoor sterk vertraagd. Bij voldoende middelen worden echter steeds regelmatig werkzaamheden uitgevoerd. Gehoopt wordt dit de komende tijd te continueren opdat het fraaie intieme gebouw behouden blijft.

 

De Heilige Mis

Eén van de belangrijkste elementen in de Vrij-Katholieke Kerk ligt verborgen in haar liturgie. Een wonderschone parel van symboliek en spil van het sacramentele systeem waarop een universele kerk gebouwd wordt is door de eeuwen heen bewaard gebleven in de Heilige Mis.
Er zijn mensen die zeggen dat Jezus geen doel had om een religie te stichten. Misschien is dat ook zo, maar de traditie leert ons dat na Zijn verrijzenis, de Christus aan zijn discipelen in het geheim onderricht heeft gegeven. Of dit geheime onderricht ook het doorgeven van liturgische werkvormen inhield, valt niet vast te stellen. Het basisprincipe van het misoffer was de discipelen reeds bekend, onder meer tot uitdrukking gebracht in de bekende Witte Donderdag verhalen. Aangezien het niet onwaarschijnlijk is dat Jezus in de Egyptische Mysteriën ingewijd geweest was, zou de nog oudere oorsprong hiervan Hem bekend zijn geweest. Wel is het door Hem in het openbaar gebracht, waar het voordien slechts voor de ingewijden was weggelegd.

Het is in ieder geval onze stellige overtuiging, als Vrij-Katholieken, dat de Christus de sacramenten heeft ingesteld als een hulpmiddel die voor allen toegankelijk zou zijn die daarom vragen en heeft daartoe zijn apostelen als bedienaars daarvan geïnstrueerd. Dit kanaal is van de één op de ander -tot op heden- door handoplegging doorgegeven. In hoeverre de liturgie die gebruikt werd om deze sacramenten te bedienen direct door Hem is gegeven aan de apostelen is discutabel, maar Zijn bedoeling deze sacramenten in te stellen staat vast. Zonder dit gegeven verliest onze Heilige Mis een groot deel van zijn werkzaamheid en heeft noch onze kerk, noch ieder andere katholieke kerk, bestaansrecht. Mede om deze reden staat dus ook in onze beginselverklaring dat wij in de levende Christus geloven, een Heer die Zijn kerk inspireert en ondersteunt en deze kerk niet louter gebaseerd is op gebeurtenissen van ongeveer 2000 jaar geleden.

De Heilige Mis kan op een aantal manieren gezien worden en om het geheel te kunnen beschrijven vergt meer dan een specifiek aantal woorden of de afgemeten tijd van één leven.

Elke dag is het voor ons weggelegd nieuwe inzichten te verkrijgen; hetzij over de Heilige Mis zelf, of de betekenis daarvan in ons dagelijks leven. Dit schrijven is dan maar ook een schamel begin en geenszins een complete uiteenzetting.

In één aanzicht is de Heilige Mis een symbolische viering van het scheppende proces, een proces dat in alles en allen te herkennen is. In een notendop: iets verschijnt, dient zijn doel en vergaat. Of het nu gaat om een universum, een zonnestelsel, onze aarde, de mensheid, een individu, een dier, een plant, een steen, doet er niet toe, alles en allen doorlopen zo'n proces. Niet éénmaal maar herhaaldelijk. Zo ook met onze Heilige Mis, deze wordt keer op keer herhaald, geen enkele dienst is dezelfde als de andere. In symbool beeldt de Heilige Mis in alle stadia dit proces uit en het is de herkenning hiervan, bewust of onbewust, waardoor men zich zo aangetrokken voelt tot deze vorm van viering.

Vanuit een ander oogpunt bekeken, is de Heilige Mis een geleide meditatie, ons voerend vanaf het grofstoffelijk bewustzijn tot het allerhoogste dat wij aan kunnen raken en weer
terug. Op deze manier bekeken, zou de Heilige Mis als een psychische oefening gezien kunnen worden, de deelnemers lerend om stapje voor stapje tot steeds grotere hoogte te komen.

Nog een manier waarop wij de Heilige Mis kunnen bekijken is door het aspect dienstbaarheid te benadrukken, een aspect dat vooral in onze Vrij-Katholieke Kerk van onmetelijk belang is. Dit is één van de belangrijkste uitgangspunten die de stichtende bisschoppen aanhielden in het bewerken van de liturgie. Alles is erop gericht zo efficiënt mogelijk met energie om te gaan, die van onszelf en die van de engelen die de noodzakelijke medewerkers zijn in het bouwen van de geestelijke tempel. De tempel wordt ook niet gebouwd omdat het mooi is, of omdat het een symbool van de volledige mens is, maar om die geestelijke impulsen te kunnen geven aan onze omgeving die bevorderend zijn om de weg te gaan waarvoor wij allen hier geplaatst zijn: het terugkeren naar de bron van waaruit wij zijn voortgekomen. Het paradoxale is dat het gaat om de vervolmaking van de mensheid, dat gebeurt door de vervolmaking van elk individu. Maar als elk individu zich op de vervolmaking van de mensheid richt, komt als "bijwerking" de vervolmaking van het individu.

Een ander aspect is dat het vieren niet als afzonderlijk individu gebeurt, maar als een groepswerk. De achterliggende gedachte van het resultaat dat groter is dan de som der delen is zeker hierop van toepassing.


De priester speelt hierin een belangrijke rol, een rol die slechts in ootmoed tot steeds grotere werkzaamheid van het geheel kan leiden. Hij is namelijk het kanaal waardoor alles gebeuren kan en is de vertegenwoordiger van de gemeente. Hij verricht alle handelingen namens de gemeente en in opdracht van de bisschop, die de hoogste vertegenwoordiger van de Christus in onze kerk is. Al wordt het van alle deelnemers gevraagd zo veel mogelijk hun persoonlijkheden opzij te stellen, geldt dit nog meer voor de priester. De priester zou de vervolmaking van dienstbaarheid in de Heilige Mis moeten vertegenwoordigen, waarbij alle andere deelnemers zich kunnen aansluiten zodat een gezamenlijke bouwwerk tot stand gebracht kan worden.

De omgeving waarin dit zich afspeelt is deze wereld, gebonden door tijd en ruimte. Tijdens de Heilige Mis wordt een bouwwerk opgericht dat niet door tijd of ruimte gebonden is. Wij bevinden ons op dat moment in tijdloosheid en niet beperkt door onze stoffelijke verschijningsvorm. Dit kan mede gezien worden als duidend op het feit dat alleen door incarnatie wij kunnen komen tot inwijding. Want de Heilige Mis is tevens een symbool van inwijding, een woord dat vaak misbruikt of verkeerd begrepen wordt. Inwijding heeft in eerste instantie te maken met "zichtbaar maken", oftewel dat wat versluierd is in openbaring te brengen. Dat wat versluierd is ligt reeds verborgen in onszelf en onze inwijdingen hebben te maken met het ontdekken van deze latente eigenschappen en deze aan te wenden ten bate van de schepping.
De omgeving is ook het kerkelijk jaar waarbinnen de Heilige Missen gevierd worden. Ook dit kerkelijk jaar geeft dieper inzicht door de macrokosmische met de microkosmische cycli te verbinden.

De omgeving is ook de wereld waarin wij geplaatst zijn, niet buiten om onszelf, maar juist door onszelf om de kansen voor verrijking van de ziel te kunnen benutten en onze levenstaak te kunnen volbrengen. De kracht die wij als deelnemers aan de Heilige Mis ontvangen, staat in directe verhouding tot de mate waarin wij deze kracht kunnen doorgeven aan de omgeving.


Al is er geen enkel deel van de Heilige Mis overbodig, zou men kunnen zeggen dat het Confiteor en de Akte van Geloof grotendeels opsommen waar wij mee bezig zijn. Vanuit onze sterflijke persoonlijkheid, met al zijn fouten, trachten wij de mensheid waarvan wij deel uitmaken te dienen. De essentie hiervan is Liefde.

Van welk oogpunt men ook de Heilige Mis benadert, de inzichten die daardoor verworven worden komen continu op ons pad. Wij vallen van het ene inzicht in het andere.

De Heilige Mis is een levenswerk, een manier waarop wij ons met onze medemensen inzetten voor de wereld, een beleving van een symbool dat dieper inwerkt dan ons waakbewustzijn.