Lezingen van de zondag

GEWIJD AAN DE WERELDGODSDIENSTEN

O God, Vader van de mensheid,
help ons Uw Licht en Uw Liefde te zien schijnen in alle godsdiensten van de wereld,
en de veelsoortige wegen te begrijpen,
waarlangs U Uw plan in vervulling doet gaan.
Door Christus onze Heer.

Alternatieve lezing

Wij zullen lezen uit de Bhagavad Gita, hoofdstuk 11 ‘het kosmische visioen’, vers 1 t/m 8.

Arjuna[1] zegt:

Mijn Heer! Uw woorden betreffende het Opperste Geheim van het Zelf (Adhyatma), mij door Uw genade gegeven, hebben de illusies die mij omringden, verdreven.
O Heer! Wiens ogen gelijk de lotusbloem zijn! Gij hebt de oorsprong en de ontbinding van het Zijn in bijzonderheden beschreven, evenals Uw eigen Eeuwige Majesteit.
Ik geloof alles zoals Gij het verklaard hebt. Nu brand ik van verlangen om een visioen van Uw Goddelijke Vorm te krijgen, O Gij zeer Hoge!
Als Gij denkt dat het mij mogelijk gemaakt kan worden om het te zien, toon mij dan, O Heer der Heren! Uw eigen Eeuwige Zelf.

Sri Krishna[2] antwoord:

Aanschouw, O Arjuna! mijn hemelse vormen, bij honderden en bij duizenden, verschillend van soort, van kleur en gedaante.
Aanschouw de Machten der Natuur: vuur, aarde, wind, lucht; de zon, de hemelen, de maan, de sterren; alle krachten die leven en genezing brengen; en de rondzwervende winden. Zie die myriaden[3]van wonderen die aan geen ander dan aan u geopenbaard worden.
Aanschouw het gehele universum, het beweeglijke en het onbeweeglijke en verder alles wat ge zoudt willen zien, O Arjuna! zie, het is hier en leeft in Mij, als één.
Daar ge Mij echter met sterfelijke ogen niet kunt aanschouwen, zal Ik u nu het Goddelijke Gezichtsvermogen geven. Aanschouw nu de glorie van Mijn Oppermacht.


[1] Arjuna: boogschutter en wagenmenner (de emotie), drager van de goddelijke boog Gandiva.

[2] Sri Krishna: (Sri = heilig) ‘al-aantrekkelijke’, incarnatie van Vishnu; binnen de Hindoe-drieëenheid het onderhoudende, zorgzame of beschermende aspect van God in de schepping.

[3] Myriaden: ontelbaar. Ontelbare wonderen.


Jezus sprak: “Amen, Amen, Ik zeg U: Ik ben de deur van de schapen. Als iemand door Mij binnengaat, zal hij veilig zijn; hij zal in- en uitgaan en weide vinden.

Ik ben gekomen, opdat zij leven zouden bezitten, en wel in overvloed. Ik ben de goede herder. De goede herder geeft Zijn leven voor Zijn schapen. Maar de huurling vlucht weg. Hij is dan ook maar een huurling en heeft geen hart voor de schapen.

Ik ben de goede herder. Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij, zoals de Vader  Mij kent en Ik de Vader ken.

Ik geef Mijn leven voor de schapen. Ik heb nog andere schapen, die niet uit deze schaapsstal zijn. Ook die moet Ik leiden en zij zullen naar Mijn stem luisteren en het zal worden: eén kudde, éen herder.”