Lezingen van de zondag

Zondag 15 maart, 4e zondag van Quadragesima (Laetare – verheugt u)

Collectegebed

Almachtige God!
Die voor allen een bron zijt van wijsheid en een immer stralende zon
van schoonheid en harmonie,
geef dat wij ons zó voor de viering van de heilige mysteriën
van de Passie en de Verrijzenis mogen voorbereiden,
dat wij, door de uitstorting van Uw kracht,
geestelijk mogen worden verkwikt.
Door Christus onze Heer.

Gelukkig de mens die zal terugkeren en tot zichzelf ontwaakt.
En gezegend is hij die de ogen van blinden heeft geopend.

En de Geest snelde hem te hulp, nadat Hij hem had wakker geschud.
Hij stak hem de hand toe en heeft hem die op de grond lag, op de been geholpen.
Want uit zichzelf was hij niet opgestaan.
En hij gaf hem de mogelijkheid om kennis omtrent de Vader te bevatten in en door de openbaring van de Zoon.

Want wie hém eenmaal gezien hebben en gehoord, vergunt Hij de geliefde Zoon te proeven, te ruiken en aan te raken.

Zo verscheen hij en onderrichtte hen over de onbevattelijke, de Vader, waarbij hij hen inspireerde met Diens Gedachte en aldus Diens Wil volbracht. Velen ontvingen het Licht en keerden terug naar Hem.



Jezus ging de berg op en zette zich daar met Zijn leerlingen neer.
Toen Jezus Zijn ogen opsloeg en zag dat er een grote menigte naar Hem toekwam, vroeg Hij aan Filippus: “Hoe moeten wij brood kopen om deze mensen te laten eten?” Filippus antwoordde Hem: “Wil ieder ook maar een klein stukje krijgen, dan is voor tweehonderd denariën brood nog te weinig.”

Een van Zijn leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, merkte op: “Er is hier wel een jongen met vijf gerstebroden en twee vissen, maar wat betekent dat voor zo’n aantal?”
Jezus echter zei: “Laat de mensen gaan zitten.” Er was daar namelijk veel gras.

Zij gingen dan zitten; het aantal mannen bedroeg ongeveer vijfduizend.

Toen nam Jezus de broden en na het dankgebed gesproken te hebben, liet Hij ze uitdelen onder de mensen die daar zaten, alsmede de vissen, zoveel men maar wilde.

Toen ze verzadigd waren zei Hij tot Zijn leerlingen: “Haalt nu de overgebleven brokken op om niets verloren te laten gaan.” Zij haalden ze op en vulden van de vijf gerstebroden twaalf manden met brokken, welke door de mensen na het eten overgelaten waren.